Lize Jansen Fotografie
fotografie ter promotie van veganisme

blog

Voedselfotografie-basics: de belichtingsinstellingen op je camera gebruiken

Goede (voedsel)fotografie helpt bij vegan outreach. Daarom vind ik het belangrijk dat vegan bloggers, bedrijven en andere vegan activisten hun werk voorzien van mooie foto's. Ik draag hier graag aan bij door de komende tijd artikelen te schrijven over het maken van mooie voedselfoto's. 

Dit is het eerste artikel in de serie ‘voedselfotografie-basics’. De serie is bedoeld voor de serieuze beginners. Over foto’s maken met smartphones ga ik het niet hebben. Wel help ik je graag om mooie(re) voedselfoto’s te leren maken met een camera waarbij je zelf de instellingen kan bepalen (en als het even kan ook de lens kan verwisselen). De serie begint bij de fotografie-basics, latere artikelen behandelen onderwerpen zoals werken met lampen, food styling, props en nabewerking.

Omdat je voor het uitkiezen van een camera, lenzen en eventueel een statief of lampen moet begrijpen hoe belichting werkt, behandel ik dit eerst. De informatie in dit artikel is niet specifiek voor het fotograferen van voedsel, maar moet je wel begrijpen om de latere artikelen te kunnen volgen.

 

Belichting: camera instellingen

Wanneer je een foto maakt, komt er licht door de lens op de sensor van je camera. De hoeveelheid aanwezig licht is natuurlijk een factor voor de belichting. Daarnaast zijn er drie factoren die je zelf in de hand hebt: de lensopening (diafragma), sluitertijd en ISO waarde (de ‘belichtingsdriehoek’).

 

Diafragma

Het licht gaat in de lens door het diafragma; een opening die groter of kleiner ingesteld kan worden. Hoe groter de opening, hoe meer licht er door de lens gaat en uiteindelijk op de sensor valt. De grootte van de lensopening wordt in een cijfer weergegeven: het diafragmagetal/F-getal/F-stop. Een laag getal betekent een grote opening. 

Het diafragmagetal geeft de verhouding tussen de brandpuntsafstand van de lens en de lensopening weer.
N = f / D
N = diafragmagetal
f = brandpuntsafstand van de lens, in mm
D = diameter van de diafragma-opening, in mm

Het diafragma heeft verder effect op de scherptediepte: de lengte van het gebied dat acceptabel scherp is. Hoe kleiner de scherptediepte, hoe sneller voorwerpen voor- of achter het scherpste punt onscherp worden afgebeeld. Een kleine scherptediepte kan dus handig zijn als je de achtergrond van een foto erg onscherp wilt krijgen. Hoe groter de lensopening (en dus hoe lager het getal op de camera), hoe kleiner de scherptediepte. 

Mensen die iets niet scherp kunnen zien knijpen vaak met hun ogen om toch beter te zien. Ze verkleinen daarmee de lensopening van hun ogen, waardoor de scherptediepte wat groter wordt en ze dus een groter gebied redelijk scherp zien.
Wil je weten waarom een kleiner diafragma een grotere scherptediepte geeft? Op wikipedia lees je een korte uitleg (onder het kopje verstrooiingscirkels).

Links: f2.4 - kleine scherptediepte: de voorste grapefruit is scherp, maar het theekopje niet.
Rechts: f11 - grote scherptediepte: zowel de grapefruit als het theekopje zijn scherp

 Een voorbeeld van de weergave van het diafragma op het scherm van een camera.

Een voorbeeld van de weergave van het diafragma op het scherm van een camera.

Sluitertijd

De sluiter houdt het licht dat door de lens komt tegen, behalve tijdens het maken van de opname. Veel sluiters bestaan uit twee barrières die kort na elkaar naar beneden ‘vallen’: de eerste valt waardoor er een opening ontstaat en licht op (een deel van) de sensor valt. Daarna valt de tweede om het juist weer af te dichten. Ze volgen elkaar gewoonlijk zo snel op dat de sensor nooit helemaal onafgedekt is, maar de verschillende delen van de sensor om de beurt belicht worden. Wanneer je een foto met flitslicht maakt kun je dat soms zien - als de sluitertijd kort is, kan er een donkere ‘balk’ in het beeld ontstaan.

Hoe langer je sluitertijd, hoe meer licht er op de sensor valt, dus hoe lichter de foto over het algemeen. Als je flitslicht gebruikt gaat dit minder op: omdat de flitser maar heel kort ‘aan staat’ maakt een langere sluitertijd niet uit voor het flitslicht. Wel komt het omgevingslicht langer op de sensor. De omgeving wordt dus lichter, terwijl het effect van het flitslicht gelijk blijft. Met de sluitertijd kun je zo de verhouding tussen het flits- en omgevingslicht beïnvloeden.

Links: sluitertijd 1/180 seconde - vrijwel al het licht is afkomstig van de flitser. Het flitslicht van rechts geeft links schaduwen.
Rechts: sluitertijd 1/30 seconde - het omgevingslicht, dat van alle kanten komt, 'vult' de schaduwen. Het flitslicht heeft nu in verhouding minder effect op de foto. Omdat de instellingen verder gelijk zijn is de foto lichter.

Verder heeft de sluitertijd invloed op het weergeven van beweging in je foto. Met een korte sluitertijd leg je een heel kort moment vast, waarmee je eventuele bewegingen als het ware bevriest. Met een langere sluitertijd zie je de beweging. Dat geldt zowel voor bewegingen van het onderwerp van de foto als van je camera. Als je uit de hand een scherpe foto wilt maken moet de sluitertijd daar kort genoeg voor zijn. Wil je van een bewegend onderwerp de beweging laten zien, dan gebruik je een langere sluitertijd en houd je de camera goed stil, bijvoorbeeld met een statief (anders is alles bewogen).

Links: sluitertijd 1/125 seconde - de beweging van de lepel is 'bevroren'.
Midden: sluitertijd 1/15 seconde - de beweging van de lepel is op de foto te zien.
Rechts: sluitertijd 1/15 seconde, zonder statief - alles is bewogen.

 Een voorbeeld van de weergave van de sluitertijd op het scherm van een camera.

Een voorbeeld van de weergave van de sluitertijd op het scherm van een camera.

ISO

Hoe hoger je de ISO instelt, hoe lichter de foto wordt. De kleuren worden echter minder helder en er komt meer ruis in het beeld. De werking van de ISO instelling komt uit de analoge fotografie, waarbij je de keuze hebt uit film met verschillende ISO (of ASA) waarden. Hoe hoger die waarde, hoe gevoeliger de film is voor licht.

Voor voedselfotografie wil je waarschijnlijk weinig of geen ruis en heldere kleuren. Houd de ISO dus laag wanneer dat kan. Als je niet genoeg licht hebt zal de ISO soms toch omhoog moeten. Verschillende type sensors geven verschillende resultaten qua kleur en hoeveelheid ruis, dus bij sommige camera’s kun je de ISO ‘ongestraft’ veel hoger instellen dan bij andere camera’s. Bij weinig licht geeft een hoge ISO meer ruis en vagere kleuren dan bij veel licht. Ook verschilt per persoon wat men nog een acceptabel resultaat vindt. Met wat oefening leer je vanzelf waar voor jou de grens ligt. 

Links: ISO 1000 - in deze uitsnede zie je duidelijk ruis in de schaduwen.
Rechts: door de hoge ISO had het origineel geen mooie kleuren.

 Een voorbeeld van de weergave van ISO op het scherm van een camera.

Een voorbeeld van de weergave van ISO op het scherm van een camera.

De instellingen leren gebruiken

Je kunt meteen in het diepe springen en de camera op M (‘manual’) zetten, je stelt dan de sluitertijd en diafragma zelf in. De ISO waarde kun je dan op automatisch of handmatig instellen.

Om een beetje gevoel te krijgen voor de instellingen is het handig om met één instelling te oefenen, terwijl de camera de andere kiest om een goede belichting te krijgen:

 M: Manual (handmatige instelling) - Av: Aperture value (diafragma voorkeuze) - Tv: Time value (sluitertijd voorkeuze)

M: Manual (handmatige instelling) - Av: Aperture value (diafragma voorkeuze) - Tv: Time value (sluitertijd voorkeuze)

Av (Aperture value = diafragma voorkeuze) of A

In deze stand kies je zelf de lensopening, en kiest de camera daar een sluitertijd bij. Je kunt de ISO waarde daarnaast ook nog op automatisch zetten.

 

Tv (Time value = sluitertijd voorkeuze) of S

Dit werkt hetzelfde als Av, maar nu stel je de sluitertijd in en kiest de camera een diafragma waarde. ISO kun je weer op automatisch zetten of zelf instellen.

 

Ev (Exposure value = belichtingscorrectie)

Soms kiest de camera met bovenstaande voorkeuze-standen niet de belichting die je mooi vindt. Met de Ev waarde stel je in dat de foto lichter of donkerder wordt dan wat de camera als goede belichting ziet. De totale hoeveelheid licht op de foto wordt uitgedrukt in ‘stops’. Eén stop meer licht betekent een dubbele hoeveelheid licht. Je kunt de Ev op de meeste camera’s instellen van -3 of -2 stops tot +2 of +3 stops.

 Een voorbeeld van de weergave van Ev op het scherm van een camera.

Een voorbeeld van de weergave van Ev op het scherm van een camera.

Lees de volgende keer over het uitkiezen van een lens voor voedselfotografie, en daarna over het uitkiezen van een camera (in die volgorde omdat het handig is om eerst te weten welke lenzen je wilt gebruiken voor je een camera kiest). De volgorde van de overige onderwerpen heb ik nog niet vaststaan, dus stay tuned!

Zet jij je skills in voor een betere wereld? Met mooie foto's kun je bijvoorbeeld vegan evenementen op de kaart zetten of mensen verleiden om plantaardige recepten te proberen.

Bedankt voor het lezen van dit artikel, hopelijk heb je wat opgestoken. Feedback is meer dan welkom, daarmee kan ik de volgende artikelen hopelijk nog iets beter maken. Wil je meer diepgang of moet het juist simpeler, is er iets onduidelijk of heb je een foutje ontdekt? Laat het me weten in de comments (registreren is niet nodig!).